| Literature DB >> 21713061 |
Abstract
Numbers might be understood by grounding in spatial orientation, where small numbers are represented as low or to the left and large numbers are represented as high or to the right. We presented numbers in concrete (seven shoes in a shoe shop) or abstract (29 - 7) contexts and asked participants to make relative magnitude judgments. Following the judgment a target letter was presented at the top or bottom (Experiments 1-3) or left or right (Experiment 4) of the visual field. Participants were better at identifying letters at congruent than incongruent locations, but this effect was obtained only when numbers were presented in concrete contexts. We conclude that spatial grounding might have a smaller role for numbers in abstract than in concrete context.Entities:
Keywords: abstract concept; context; grounded cognition; numbers; quantity
Year: 2011 PMID: 21713061 PMCID: PMC3114072 DOI: 10.3389/fpsyg.2011.00121
Source DB: PubMed Journal: Front Psychol ISSN: 1664-1078
Figure 1Reaction times and error rates for the letter identification task in Experiments 1 (Concrete Context) and 2 (Abstract Context). Error bars represent standard error of the mean difference for adjacent bars.
Figure 2Reaction times and error rates for the letter identification task in Experiment 3. Error bars represent standard error of the mean difference for adjacent bars.
Figure 3Reaction times and error rates for the letter identification task in Experiment 4. Error bars represent standard error of the mean difference for adjacent bars.
Sentences used in Eexperiments 1, 3, and 4. Approximate translations are given in brackets.
| Few | Many |
|---|---|
| De oude man had 2 boeken in de kast staan. | De oude man las 2 boeken per dag. |
| Mijn oma woont 100 meter van mijn huis vandaan. | Er stond een rij van 100 meter voor de kassa. |
| De bouwvakker dronk op de snikhete dag 1 liter water. | Het meisje dronk in een keer 1 liter cola op. |
| De visite at een halve taart op. | De man at een halve taart op na het avondeten. |
| Mijn werk is 1 km van mijn huis vandaan. | Mijn auto staat 1 km van mijn huis vandaan. |
| Haar middel heeft een omtrek van 60 cm. | Het hoofd van het kind heeft een omtrek van 60 cm. |
| Het TV-programma duurde 10 minuten. | De wasmiddelen-reclame duurde 10 minuten. |
| De lift had 120 kilo draagkracht. | De man woog 120 kilo. |
| Er zaten 80 mensen in het stadion. | Er zaten 80 mensen in de woonkamer. |
| De gang was 60 cm in de breedte. | De vader had een karper van 60 cm gevangen. |
| Met oud en nieuw had hij vier biertjes gedronken. | Hij stapte achter het stuur nadat hij vier biertjes had gedronken. |
| De kippen van de boer hadden 5 eieren gelegd in een maand. | Mijn oma bakte 5 eieren voor mijn opa. |
| Hij had na een maand 40 km met zijn auto gereden. | Hij fietste elke dag 40 km. |
| Zijn appartement was 16 vierkante meter. | Het balkon was 16 vierkante meter. |
| In anderhalf uur kan je in Ierland zijn. | Hij was anderhalf uur te laat op ons afspraakje. |
| Hij was in een jaar 1 kilo aangekomen. | De bakker had een croissantje gebakken van 1 kilo. |
| Er lagen 5 bananen in de kist bij de groenteboer. | Hij sneed 5 bananen in plakjes in zijn joghurt. |
| De kast was 30 cm breed. | De poedel had een bot in zijn bek van 30 cm. |
| Hij dronk 4 koppen koffie per week. | Hij dronk 4 koppen koffie per dag. |
| De patatjes zijn 3 cm in de lengte. | De nagels van mijn vriendin zijn 3 cm. |
| Het vliegveld was 5 km van mijn huis vandaan. | De dichtstbijzijnde supermarkt was 5 km van mijn huis. |
| De kerk heeft een omtrek van 12 meter. | De boom heeft een omtrek van 12 meter. |
| In een kwartier had ze het avondeten gemaakt. | In een kwartier had ze de vissen gevoerd. |
| De oude vrouw kocht een zak met anderhalf kilo aardappels. | De oude vrouw kocht een zak met anderhalf kilo koekjes. |
| Er stonden 5 paar schoenen in de winkel. | Ze nam 5 paar schoenen mee op vakantie. |
| De file waar we in stonden was 1 km. | De lengte van de tuin was 1 km. |
| De kok deed een lepeltje sambal in de pan met bami. | De jongen deed een lepeltje sambal in zijn kop soep. |
| Na vijf minuten had ze besloten naar welk land ze zou gaan. | Na vijf minuten had ze besloten wat ze wilde drinken. |
| De gouden oorbellen kostten 10 euro. | De bloemkool kostte 10 euro. |
| Hij had 2 maanden in dat huis gewoond. | Een vriend van ons bleef 2 maanden logeren. |
| De man werkte op woensdag 2 uur. | De student stond 2 uur op de bus te wachten. |
| Voor het buurtfeest kocht hij 6 zakken chips. | Voor bij de film kocht hij 6 zakken chips. |
| Er zaten 7 mensen in de trein. | Er zaten 7 mensen in de taxi. |
| De man waste zich 2 keer per week. | De man waste zijn auto 2 keer per week. |
| De student spreekt zijn huisgenoot 1 keer in de maand. | De student spreekt zijn studiebegeleider 1 keer in de maand. |
| De casiere van de supermarkt had die dag 35 klanten. | De chirurg had die dag 35 operaties. |
| Mijn broer gaat 1 keer per maand naar de sportschool. | Mijn broer gaat 1 keer per maand naar de tandarts. |
| Er staat 20 milimeter water in de badkuip. | Er staat 20 milimeter water in de huiskamer. |
| De topsporter wandelde 10 km. | Mijn oma liep met haar rollator 10 km. |
| De man parkeerde de auto 1 cm over de witte lijn. | De zuster prikte 1 cm naast de ader. |